Geschiedenis

 

Het dorp Noordwolde wordt in de dertiende eeuw voor het eerst beschreven. Zuidelijk van Noordwolde liggen het Oosterse en het Westerse Veld. In dit gebied ligt het huidige Noordwolde-Zuid. Wij gaan in vogelvlucht door de geschiedenis.

De vervening

Oorspronkelijk was dit gebied bedekt met heidevelden, venige laagten en verspreid staande boomgroepen. Op sommige plaatsen in deze ondergrond kon zich veen vormen. Dit veen was uitstekend geschikt als brandstof voor verveniverwarming en om op te koken. Het afgraven van dit veen gaf velen in de omgeving van Noordwolde een inkomen. Het hoogtepunt van de vervening vindt plaats tussen 1650 en 1750.

De veenarbeiders van het eerste uur gingen nog niet zo efficiënt te werk als later, wanneer de veenexploitatie massaal wordt aangepakt. Het landschap veranderde drastisch door deze vervening. Er werden afvoerkanalen gegraven om het veen af te voeren. Zo werd in 1640 voor dit doel de Noordwolder Vaart en de Splittinge gegraven. De Splittinge is nu nog duidelijk herkenbaar langs de Nieuweweg. Aan deze vervening kwam rond 1800 een eind. Een belangrijke bron van werk en inkomsten kwam langzaam aan zijn eind.

 

Rotanindustrie

De rotanindustrie die Noordwolde landelijke bekendheid heeft gegeven is ook voor Noordwolde-Zuid van belang geweest. Ook nu nog zijn er in Noordwolde-Zuid enkele bedrijven die zich bezighouden met Rotanprodukten.
Deze industrie ontstond bij toeval. De rotanindustrie ontstaat omstreeks 1825 wanneer een werkloze Duitse veenarbeider in de kost is bij een familie die men "De Pieren" noemt. Deze Duitser kan mandjes vlechten van in het wild groeiende wilgentenen. Hij leert De Pieren wilgenmandjes maken. De verkoop van deze mandjes leverde geld op. Al snel kijken anderen hun de kunst af.

Istoelindn 1860 houden al zo'n tweehonderd gezinnen zich bezig met deze huisindustrie naast de al bestaande fabricage van heideboenders en bezems. Het is later in de 18e eeuw als ds. Hendrik Edema van der Tuuk het idee krijgt om in deze omgeving rieten stoelen te gaan maken. Hij krijgt dat idee in Amsterdam als hij voor een winkel staat waar uit Duitsland geïmporteerde stoelen worden verkocht. De materialen zijn hier voorhanden, ook werkkrachten zijn er in overvloed. Hij zoekt in Duitsland een leermeester die samen met zijn knecht naar Nederland komt. Zij leren in 1873 een aantal mandenmakers stoelenvlechten.

Met vallen en opstaan ontstaat zo de stoelenindustrie. Kleine ondernemingen met drie tot acht man personeel komen van de grond. Ook wordt er nog veel door "huisvlijt" gemaakt. Aan het einde van de 19e eeuw worden er in en rond Noordwolde zo'n 200.000 stoelen per jaar gemaakt. Om de kwaliteit te verbeteren wordt er in 1908 op initiatief van de toenmalige dokter Mulder en ds. Reitsma in het voormalige armhuis de Rietvlechtschool begonnen. In 1911 werd voor dit doel de Rietvlechtschool gebouwd aan de Hooftstraat Oost in Noordwolde. Door dit onderricht gaat de kwaliteit van de stoelenmakers omhoog. Er ontstaan grotere bedrijven, de stoelenindustrie is in deze omgeving een werkgever van formaat. Later in de 20e eeuw zal de productie dalen mede door het importeren van manoumeubelen uit lage lonen landen.

De tram

Station NoordwoldeIn 1914 wordt de tramlijn Steenwijk-Noordwolde-Oosterwolde geopend. Deze was voor Noordwolde en omgeving vooral van belang voor het transport van de rieten stoelen. In 1962 is de trambaan opgeheven. De loop langs de Nieuweweg is nog steeds zichtbaar in de vorm van een fietspad. 

Meer uitgebreide informatie over dit onderwerp vindt u op de homepage van http://noordwolde.jellejan.de

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De invloed van de Maatschappij van Weldadigheid
plaghutRond 1820 werden door de Maatschappij van Weldadigheid diverse landbouwkoloniën gesticht om o.a. een einde te maken aan de ontstane armoede door het wegvallen van de turfwinning. Frederiksoord, even ten zuiden van de gemeente Weststellingwerf, is er een van. In die koloniën werden voornamelijk verarmde stadsbewoners tewerkgesteld. De "kolonisten", welke zich door gedrag en werk hadden onderscheiden, mochten zich als vrije boer vestigen. Hun kinderen moesten, als zij trouwden of 20 jaar werden, de kolonie verlaten en voor zichzelf zorgen. Daar zij geen inkomen hadden en de Maatschappij van Weldadigheid zich niet meer om hen bekommerde, behoorden zij al spoedig tot de bedeelden. Een groot deel van deze mensen vestigde zich in de buurt van hun familie die in de kolonie woonde. Ook werden er soms mensen uit de kolonie gezet door geldgebrek. Net over de Drents-Friese grens lagen het Westerse en Oosterse veld vele ex kolonisten zochten daar een plek om te wonen. Vaak waren dergelijke woonplaatsen door geldgebrek plaggenhutten, die tot ver in de twintigste eeuw nog in gebruik waren. Meer informatie over de Maatschappij van Weldadigheid vindt u op de site van de Maatschappij van Weldadigheid .

 

De eerste bewoning
Wie de eerste bewoners waren in het gebied wat nu Noordwolde-Zuid heet is niet bekend. Vooralsnog moet aangenomen worden dat ten tijde van de vervening hier de eerste activiteiten hebben plaatsgevonden. Ongetwijfeld zullen hier toen ruim verspreid enkele vervenershutten hebben gestaan. Van activiteit of bewoning voor die tijd is tot op heden niets bekend. In het begin van de 19e eeuw komt hier verandering in. De komst van de Maatschappij van Weldadigheid in Frederiksoord heeft ook zijn uitstraling op deze streek, al was dit waarschijnlijk een negatieve. Er vestigden zich hier toen min of meer vaste bewoners. Veelal onder belabberde omstandigheden in plaggenhutten. De eerste stenen huizen worden pas in het begin van de 1900 gebouwd aan de Zuiderweg.