Johannes Mooij, ereburger
Ruim een eeuw geleden geboren Een leven in dienst van de sociaal zwakkeren


johannes mooijDe ontwikkelingen in deze streek zijn onlosmakelijk verbonden met het leven van de in 1977 overleden ereburger Johannes, die bijna een halve eeuw raadslid was in Weststellingwerf. Het was ook de tijd dat er sprake kon zijn van direct politiek succes. "Toen in de crisisjaren een paar honderd werklozen geen cent meer in huis hadden, kregen wij het er in de raad door dat 1500 gulden uit de gemeentekas werd getrokken om de ergste nood te lenigen. De mensen konden na het vallen van de hamer meteen naar de gemeenteontvanger stappen en de extra uitkering in ontvangst nemen. Zoiets is nu onbestaanbaar", zo sprak hij ter gelegenheid van zijn tachtigste verjaardag in 1968.

Johannes Mooij werd geboren aan de Zuiderweg op 3 juni 1888. In die tijd stonden er meer dan honderd van die hutten ten zuiden van Noordwolde. Het was een moeilijke tijd, met allerlei maatschappelijke problemen. Het was midden in de landbouwcrisis, in de steden was er de snel om zich heen grijpende industrialisatie. In de venen in de Stellingwerven, waar duizenden handen werk hadden gevonden, werd de afzetmogelijkheid van turf steeds geringer. Briketten, antraciet, steenkool en cokes vervingen het traditionele verwarmingsmiddel. De petroleumstroom begon te vloeien. De honger en armoede waren een prima voedselbodem voor de revolutiegeest. Er moesten één of meer leiders komen die onder woorden brachten wat er halfbewust onder de mensen leefde en die tegelijk een toekomst boden en zo de haast uitgedoofde levensvlam weer oprakelden en de moedelozen toch weer nieuwe hoop gaven.

Mooij zou zo’n man worden, levend in de ellende, bijvoorbeeld kindersterfte. De twee broertjes die voor Johannes geboren waren, kwamen heel jong te overlijden. In de hut schuin tegenover Lombok was hij het zesde kind van het echtpaar Mooij, dat de familiewortels in Groningen had. Via de Maatschappij van Weldadigheid was men, zoals zo velen in die dagen, in het zogenaamde Westerseveld beland. Toen Johannes zeven jaar was, kwam moeder Mooij–Jonkman al te overlijden. Zijn hele latere leven bleef hem het beeld bij van haar stoffelijk overschot in een slechte kist van de armvoogdij, waarin hij door de naden het lijk kon zien liggen.

In een klein dik boekje liet Mooij altijd iedereen die het maar interesseerde zien hoe 400 gezinnen aangewezen waren op financiële steun. "De bijbel der armoede", noemde hij het boekje van het armbestuur met de alfabetische opsomming van namen op de vergeelde bladzijden met verbleekte inkt geschreven.

Vader Mooij, landarbeider, was analfabeet, zodat de leergierige Johannes hem al snel in wijsheid voorbijstreefde. In Noordwolde dorp bezocht hij de lagere school. Hij wandelde iedere dag over de heidevelden en onbegaanbare wegen over grote afstand naar de Hanestede met een paar stukjes brood onder de arm. Soms werd de schoolmaaltijd nog uitgebreid met zogenaamde schoolvoeding. In barre wintermaanden vaak een homp roggebrood met potvet of reuzel. Toch was er ondanks alle ellende ook wel eens tijd om te lachen en te zingen.

Ging je trouwen, vaak op jonge leeftijd, dan moest je 14 kilometer ver lopen naar Wolvega. Bij het vertrek naar Wolvega had men nog geen huis. Kwam men bekaf terug dan hadden de buren inmiddels een keurige plaggenhut gebouwd.

Noordwolde zelf zag er toen heel wat anders uit. Mooij schreef in 1962:
"In die jaren was er nog al heel wat vervoer dat over het water moest geschieden. Uit onze plaats was er een vaste beurtdienst op onder andere Sneek en Leeuwarden, bediend door wijlen Folkert de Jong. Veel jaren later is deze dienst waargenomen door de heren De Nekker en Krediet. Aan de Hellingstraat was een scheepswerf, een bedrijf wat uiteraard veel belangstelling van de jeugd had.
De schepen konden tot in het midden van het dorp varen om daar te lossen en te laden. Vooral was het feest als de heer Koopal uit Leeuwarden arriveerde met zijn schip, waarin de draaimolen was geborgen, welke de kermis moest opluisteren. Midden in het dorp was ook de klapbrug en even verder zuidelijk tegenover het Groene Kruisgebouw ongeveer, de sluis, welke werd bediend door J. Mulder. Vaag herinner ik me, dat aan de Dwarsvaart een of meer kalkovens stonden; trouwens, er waren ouderen die menen dat er ook een kalkoven in het Westerseveld moet zijn geweest" .

Op elf jarige leeftijd zei hij de schoolbanken aan de Nieuweweg vaarwel, nadat hij op de inmiddels verdwenen school nog twee jaren onderwijs gevolgd had. Toen de school van hoofdmeester L. C. Smit op 3 januari 1898 in gebruik werd genomen stonden er nog geen tien woningen. Aan de Nieuweweg zouden de eerste zes woningen van de Woningstichting worden gebouwd, in 1914 werden de Zuiderweg en Jokweg aangelegd.

Stoelenmaker
In eerste instantie hoopt vader Mooij dat Johannes via fotograaf Kuiper een baantje zou krijgen, maar toen hij op een dag een kist glas verspeelde door een vechtpartij met een jongen in Wilhelminaoord, was dat het einde van die plannen. Dus ging hij het stoelenmakersvak in, ondanks het feit dat onderwijzers de ouders van Johannes al hadden laten weten dat er een slimme leerling in de klas zat, die eigenlijk verder zou moeten leren, bijvoorbeeld via de z.g. ‘Franse School’. Deze school was de voorloper van de ULO, welke verbonden was aan de Dorpsschool. Maar net als het volgen van herhalingslessen, was ook dit voornemen uit financieel oogpunt niet haalbaar. De herhalingslessen zouden ten koste gaan van de productie van zeker twee kinderstoeltjes per week, toch altijd dertig centen.

Sociale wantoestanden leidden tot stakingen. Al op twaalfjarige leeftijd maakte hij in 1900 de eerste mee. Twaalf uur werken voor een magere beloning gaf reden tot protest. ‘Bollejaren’ en (onbetaalde) corveediensten zorgden voor een druk bezette dag. Zijn jeugdomstandigheden vergeleek hij altijd graag met de toestanden, beschreven in de roman ‘Volk zonder uren’ van Evert Zandstra, een boek dat hij door ’s nachts door te lezen in een adem uitlas.

Domela Nieuwenhuisfoto3.jpg
Johannes Mooij is geïnspireerd door de voorganger van Troelstra: Domela Nieuwenhuis. In het jaar dat Mooij geboren werd boekte Nieuwenhuis als eerste Friese socialist succes met zijn benoeming in de Kamer. Het was de tijd dat in de Friese venen grote stakingen uitbraken, waarbij arbeiders achter de rode vlag door de dorpen trokken en brood en recht voor allen eisten. Voor het eerst ontstonden vakorganisaties en het socialisme deed haar intrede in de Friese Zuidoosthoek. Weldra zou het een massale beweging worden, die in sterke mate haar stempel zou drukken op de ontwikkeling van dit deel van Friesland en op de gehele provincie Friesland.

Domela Nieuwenhuis en Geert Lourens van der Zwaag (‘de klokluider van de Zuidoosthoek’ als maker van het in Schoterland en Wolvega vanaf 1889 verschijnende vrij socialistische, anti- kerkelijke weekblad ‘De Klok’) hielden de arbeiders voor dat er acht uur gewerkt mocht worden, dat er acht uren geslapen moest worden en dat er acht uur moest overblijven op een dag voor het verstand. De stoelenmakers, goed voor de export van 150.000 stoelen per jaar á 5 cent loon per stoel, bundelden daarom hun krachten en stichtten in 1908 de Onafhankelijke Stoelenmakersvereniging ‘Nieuw Leven’ waarvan de 20-jarige Johannes Mooij secretaris werd. "Langzaam, zeer langzaam kwam het vast te staan, dat ook dat deel van ons volk niet langer de ongelijke verdeling der aardse goederen en grote onrechtvaardigheden kon dulden".

Misstanden in de stoelenindustrie, zoals de ongeveer tachtig thuiswerkende stoelenmakers, werden soms letterlijk de grond ingeslagen. Ooit schreef Mooij:

"Bij alle moeilijkheden hebben we op latere leeftijd leren beseffen dat er ook in onze omgeving toch vele mensen hebben geleefd met een stalen wil en hard doorzettingsvermogen om het leven aan te durven! Als we de namen nagaan en de mensen hebben gekend die de stoor er aan hebben gegeven om de rietmeubelindustrie ingang te doen vinden, dan moeten we in diepe eerbied deze pioniers gedenken".

In 1912 was er weer een staking en Mooij plaatste als secretaris van het stakingscomité in de negende stakingsweek een advertentie in de ‘Stellingwerf’:
"De heren werkgevers denken met het zwaard van de honger te kunnen striemen, welnu, wij aanvaarden dat, maar gedenk het spreekwoord: Wie het zwaard scherp maakt voor een ander, snijdt zich er zelf mede". De lonen zouden worden verhoogd en huisarbeid zou voor het eerst lange tijd niet plaatsvinden.

De anarchistische roep van Domela Nieuwenhuis bracht Johannes Mooij in 1918 tot inzicht dat wellicht via de gemeenteraad wat te bereiken zou zijn in de strijd tegen de rampen in het leven van de arbeider in die tijd: ziekte, werkloosheid, invaliditeit en ouderdom. Johannes Mooij (in 1911 getrouwd met Hendrikje Jonkman) en neef Jan Mooij waren twee van de drie raadsleden van de Socialistische Partij die in 1919 een zetel kreeg in het gemeentehuis. Toen in 1923 het vrouwenkiesrecht gerealiseerd werd, kon de SP zich op vele extra stemmen verheugen. Mooij zat zelf vaak op de stembureaus bij verkiezingen. Op een dag kwam er een oude vrouw binnen om te stemmen die riep: "Ik moet Johannes Mooij hebben, of dat nu lijst 1, 2 of 3 is maakt mij niet uit, ik moet hem hebben…..". alleen in Noordwolde kreeg Johannes al 445 stemmen.

In de raad ontwikkelde Mooij zich ‘met een open oor en een groot hart’ tot de Tweede Wereldoorlog tot een gevreesde, maar gerespecteerde redenaar. De economische problemen van de jaren dertig ondervond hij aan den lijve. 1n 1934 werd hij werkloos op straat gezet, stoelen vlechten in de eigen woning was het enige alternatief.

Dochter Ria van Weert–Mooij uit Noordwolde herinnert zich nog precies hoe vader en moeder Mooij al levend tussen de misstanden, vaak zelf vergaten daar ook een onderdeel van te vormen.
"Vader liep altijd voorop als er gestaakt moest worden, maar toch hebben we nooit echt honger geleden. Mijn moeder zei wel eens tegen vader "Ik ben er dood mee aan als je na een staking weer gaat werken, want dan weet ik niet wie ik allemaal eerst betalen moet", zonder zelf in een situatie te komen dat ze niets meer te besteden hadden. Ik herinner me dat m’n moeder dan een nacht zat te naaien als er een schoolfeest kwam, uit een lapje stof van veertig cent konden drie jurkjes gemaakt worden. Vader was geen enkele avond thuis. Het was of onze geit iedere avond op hem zat te wachten, pas als vader thuis kwam ging die slapen".

De Oorlog
De stem van Johannes Mooij werd door de bezetter niet gedoogd. Direct in 1940 werd hij uit de raad gezet. Het feit dat hij tot het "Germaanse Ras" behoorde, deed hem een periode van drie maanden in hechtenis te Schoorl overleven, samen met drie vrienden. Maar er waren plaatselijke politieke kopstukken die minder fortuinlijk waren. In de oorlog werden van de elf bestuursleden van de Socialistische Partij er negen doodgeschoten.
De oorlog was amper voorbij, of Mooij trad in juni 1945 op als spreker bij de oprichting van een afdeling van de Eenheidsvakbeweging (EVC). Een maand later hield hij een rede bij de oprichting van de plaatselijke afdeling van de ‘Vrienden van de Waarheid’. Mooij sloot zich in 1946 aan bij de CPN, onder het motto ‘samen sterk’. Maar toch kon hij daar niet aarden en stichtte hij in 1948 een eigen partij.

De Johannes Mooij eenmansfractie hield van 1948 tot 1958 stand in de raad. Toen hij in 1958 niet herkozen werd, kreeg Mooij het ereburgerschap van Weststellingwerf, een oorkonde uit handen van burgemeester Huisman (later ook ereburger geworden). Voor hem was alleen de heer Dedden ooit op zo’n wijze geëerd.
De ‘onafhankelijkste’ socialist liet bij die gelegenheid nog eens weten wat voor betekenis Domela Nieuwenhuis voor de streek heeft gehad. "Hij was de man, die ons jongeren, uit de krotten van Noordwolde weg heeft gewezen naar een wereld van broederschap en vrijheid". Hij haalde nog diverse herinneringen op uit vroeger jaren toen in zijn geboortegrond nog barre toestanden heersten.

Niet dat de politiek van Johannes af was, nee. In 1962 stelde hij zich weer kandidaat en wist zelfs bijna twee zetels te veroveren. In 1970 zette hij een punt achter zijn indrukwekkende carrière als raadslid. De 82-jarige vond zelf dat hij honderd procent inzet niet meer kon garanderen. Met enkele laatste kritische uitingen over het groeiende gezag van rijk en provincie verliet hij de raad met 47 jaar politieke ervaring, met de constatering dat in al die jaren niet voor niets was gevochten. Als hoogtepunten uit zijn raadslid maatschap gelden:

het verdwijnen van de grote werkloosheid,
- het opruimen van een groot aantal krotten en plaggenhutten,
- de aanleg en verharding van talloze wegen,
- de aansluiting op elektriciteit en waterleiding,
- de bouw van een aantal bejaardenhuizen,
- de stichting van een Buurthuis in Noordwolde,
- de uitbouw van de Rietvlechtschool en de huishoudschool alsmede
- de realisatie van een kleuterschool.
Mooij was verder maatschappelijk actief binnen de Stichting De Oosthoek, de Stichting MOW (initiatiefnemer van de bouw van het Buurthuis), Staatspensionering, Volksonderwijs en Bejaardensoos. Zo vroeg hij zich in de raad af of het niet mogelijk zou zijn om in een bejaardenhuis bewoners meer te betrekken bij de dagelijkse gang van zaken. "Zij moeten van het idee af, dat ze op het laatste station staan". Mooij als strijder voor meer welvaart, welzijn en geluk, genietend van alles wat het leven bejaarde mensen nog te bieden heeft. Zo was hij twintig jaar voorzitter van de bejaardensoos, waartoe hij zelf het initiatief nam. In Noordwolde is hij vrijwel van alle verenigingen bestuurder geweest.

Net als dit jaar was er in mei 1977 een ‘Vrijdag de dertiende’, traditioneel een echte ongeluksdag en dat zou blijken. De man die bijna een halve eeuw strijd leverde tegen armoe en misstanden besloot enkele dagen voor die dag – het was weer verkiezingstijd – een blik te werpen op enkele verkiezingsborden.
De inmiddels vrij dove oud-politicus stapte de Nieuweweg op ter hoogte van de afslag naar de Zuiderweg om de borden eens van dichtbij te bekijken. De op de rijbaan stilstaande, voor zich uitkijkende man heeft de naderende vrachtauto nooit horen aankomen. Op vrijdag de dertiende stierf hij aan de gevolgen van het verkeersongeval.

"De wijze waarop de heer Mooij, die vele jaren als nestor van de raad heeft gefungeerd, opkwam voor de minderen in de maatschappij, slechte sociale misstanden en toestanden aan de kaak stelde en met vuur en elan opriep tot verbetering, hebben ook op hen die niet zijn politieke medestanders waren, steeds diepe indruk gemaakt", zo sprak burgemeester Mr. L. G. Boelens bij de crematie. "Het is wel een opvallende samenloop van omstandigheden dat juist in de vandaag te behandelen agendapunten B&W voorstelt om de ereburgers blijvend in herinnering te brengen door Ton Verheij een portret van hen te laten vervaardigen".

"Johannes wat doe je me aan", jammerde in 1938 Jan Regtop als bewoner van de laatste plaggenhut die onder het bewind van Mooij als voorzitter van de krottencommissie werd opgeruimd. Johannes Mooij zei daarover ooit, terugkijkend op zijn eigen leven van holbewoner tot in het ruimtevaarttijdperk:

"Wat heeft het een moeite en strijd gekost, maar ook een taai doorzettingsvermogen van alle betrokkenen geëist om de wel zeer jammerlijke woningen in het dorp en wel speciaal in de velden te laten verdwijnen en om aan deze toestanden een eind te maken. ‘Lombok’ in het Westerseveld, waar zo’n acht á negen hutten bij elkaar stonden is verdwenen; veel romantiek is daarbij verloren gegaan, maar ook voor velen der toenmalige bewoners is een nieuwe wereld open gegaan".

Niet in de laatste plaats dankzij Johannes Mooij, de man waarna in Noordwolde-Zuid een straat isn genoemd. De eerlijke vuurvreter en vechtjas Mooij zou in deze tijd betiteld worden als ‘linkse extremist’, het klinkt onaangenaam, beter zou het volgens schrijver Kamminga zijn te spreken over ‘vechters tegen armoede, drank en krotten’. Hij deed misschien wel eens dingen die nuchter, zakelijk en rationeel bekeken, door sommigen niet werden begrepen. Maar dat komt, doordat het hart zijn redenen kent en redenen heeft, die de rede, het nuchtere verstand, niet kent’.

Lourens Looijenga.